“In al deze cases blijken veel inwoners bij de verdeling van schaarse ruimte prioriteit te geven aan groen, fietsers en voetgangers en voor verkeersveiligheid,” zegt De Vries. “Waarden als gezondheid, bewegen, inclusiviteit en de Nederlandse fietscultuur krijgen meer gewicht. Mensen kunnen bijvoorbeeld vinden dat de overheid moet investeren in openbaar vervoer, ook wanneer zij daar zelf niet dagelijks gebruik van maken.”
“Daarnaast zien we verschillende opvattingen over het begrip ‘bereikbaarheid’: voor slechts een deel is de auto daarin essentieel. Dit bleek bijvoorbeeld uit de PWE na het Haarlemse parkeerreferendum. We zagen dat 10 procent van de inwoners koste wat kost de auto prioriteerde, dat 25 procent juist helemaal niet inzette op de auto en dat 65 procent ergens hiertussen zat, terwijl het referendum suggereerde dat ruim 80 procent tegen de beleidsnota was.”
Besteed genoeg tijd aan de vraagstelling
In Haarlem volgden na het referendum wijkgesprekken, een burgerberaad en de PWE-raadpleging. Maar in de schaduw van de referendumuitslag en nieuwe tijdsdruk ging het debat uiteindelijk opnieuw over de vraag of de onderzoeksmethode en de vraagstelling wel klopten. “De raadpleging leverde nog steeds relevante inzichten op, maar had daardoor misschien minder impact. Dat is zonde. Deze discussies over de vraagstelling hadden we vóór het onderzoek al willen voeren met verschillende stakeholders.”
Bij een later traject rond de bereikbaarheid van de Mall of the Netherlands in Leidschendam werd dat wel gedaan. Beleidsmakers én inwoners dachten uitgebreid mee over de vraagstelling. De onderzoekers gingen meerdere keren terug naar de tekentafel. “Dat voelde soms alsof het proces stilstond,” vertelt De Vries. “Maar juist daardoor herkenden verschillende groepen zich in het dilemma. Veel inwoners deden mee en de uitkomsten gaven een genuanceerd en breed geaccepteerd beeld. De gemeenteraad kon deze resultaten vervolgens goed gebruiken.”
Taal opent en sluit het gesprek
De voorbeelden illustreren volgens de onderzoeker het belang van zorgvuldig taalgebruik. Spreken we over het opheffen van parkeerplaatsen of over het verdelen van schaarse openbare ruimte? Over automobilisten weren of over een veilige straat waarin kinderen zelfstandig kunnen lopen en fietsen? Over geluidshinder of geluidsoverlast?
Bewoners zijn experts van hun eigen wijk en leefomgeving. Wanneer je dat perspectief niet vroeg in het proces meeneemt en vervolgens met een uitgewerkt plan komt, krijg je weerstand die je misschien had kunnen voorkomen.
"De uitdaging is een formulering te vinden die gebalanceerd is en waarin verschillende mensen zich herkennen.” Goede taal verdoezelt de keuze niet, maar maakt de volledige afweging zichtbaar. Voor De Vries begint dat met luisteren, ook naar bewoners. “Bewoners zijn experts van hun eigen wijk en leefomgeving. Wanneer je dat perspectief niet vroeg in het proces meeneemt en vervolgens met een uitgewerkt plan komt, krijg je weerstand die je misschien had kunnen voorkomen.” Tegelijkertijd ook de politiek-bestuurlijke context belangrijk om mee te nemen in de vraagstelling. “Regulering wegzetten als ‘autootje pesten’ doet geen recht aan de afweging waar het om gaat, namelijk hoe de schaarse openbare ruimte zo goed mogelijk kan worden ingericht.”
Het genuanceerde midden zichtbaar maken
Een zorgvuldig geformuleerde vraag doet nog iets anders: zij maakt een grote groep zichtbaar die in een referendum vaak verdwijnt. Een beperkte vraag, leidend tot een referendum met een duidelijke uitslag, duwt mensen in een voor- of tegen-kamp: politici, actiegroepen en inwoners kunnen zich ingraven. Voorstanders wijzen op de noodzaak van verandering, tegenstanders op ‘de stem van het volk’.
Wat de PWE steeds doet, is nuances in het midden zichtbaar maken. Keer op keer blijkt dat de meeste mensen niet pertinent voor of tegen betaald parkeren, een windturbine, een autoluwe straat of een andere ruimtelijke maatregel zijn. “Veel mensen willen weten: onder welke voorwaarden gebeurt dit, wie wordt hierdoor geraakt en wat staat er tegenover?”
“Bij autovraagstukken zijn er altijd duidelijke groepen voor en tegen. Maar PWE’s maken ook een grote middengroep zichtbaar. Hier zitten bijvoorbeeld inwoners in die afhankelijk van een auto zijn, maar onder voorwaarden open staan voor veranderingen. Door zulke voorwaarden bloot te leggen wordt duidelijker waar de overeenkomsten en verschillen zitten waarover je vervolgens het politieke en maatschappelijke gesprek kunt voeren.”
Rechtvaardigheid bepaalt acceptatie
“We weten uit de literatuur dat acceptatie sterk samenhangt met drie vormen van rechtvaardigheid. Verdelende rechtvaardigheid gaat over wie de kosten draagt, wie profiteert en of mensen een reëel alternatief hebben. Vooral bij autogebruik zijn die vragen gevoelig, omdat mobiliteit nauw samenhangt met werk, zorg, zelfstandigheid en gezinsleven. Procedurele rechtvaardigheid vraagt dat inwoners zorgvuldig bij het proces worden betrokken. Erkennende rechtvaardigheid betekent dat verschillende ervaringen en perspectieven daadwerkelijk worden gezien en gehoord.”
Dit alles vraagt dat deelnemers vooraf weten wat er met hun bijdrage kan gebeuren. “Het eerlijke verhaal is in veel gevallen dat draagvlak een belangrijk criterium is, maar niet het enige,” zegt De Vries. “Beleidsmakers moeten ook rekening houden met proportionaliteit en samenhang van maatregelen.” Niettemin moeten bestuurders wel bereid zijn om plannen aan te passen. “Het doen van een draagvlakmeting schept een verwachting en dus een verantwoordelijkheid, als je je inwoners serieus wil nemen.”
“Wie draagvlak pas meet als het plan al af is, is te laat. Dat is geen participatie, dat is toestemming vragen. Echt luisteren betekent dat je de waarden van inwoners serieus meeweegt in de uiteindelijke keuze.”