André de Jeu: “Sport en bewegen zijn een essentieel onderdeel van de sociale én fysieke basisinfrastructuur”
Met het aflopen van het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), de afronding van het Actieplan Nederland Beweegt en de start van een nieuwe fase met AZWA, is dit een logisch moment om terug te blikken én vooruit te kijken. We spreken André de Jeu, die als directeur van de Vereniging Sport en Gemeenten al jaren midden in deze ontwikkelingen staat. De rode draad volgens André: de kracht en noodzaak van samenwerking.
Wat hebben de sportakkoorden ons gebracht?
“Sportakkoord 1 ging vooral over de verbinding binnen de sector”, legt De Jeu uit. “Partijen moesten elkaar en elkaars aanbod beter leren kennen. Landelijk, lokaal en regionaal.”
Het doel was onder andere om lokale sportakkoorden te creëren. “Niet alleen het gemeentehuis, maar ook andere partijen. En samen werken aan een aanpak.”
Met Sportakkoord II en GALA werd die samenwerking verbreed naar andere domeinen. “Het GALA, met allerlei preventiedoelen, werd daaraan gekoppeld. En dat was eigenlijk voor het eerst dat er een gezamenlijk plan van aanpak moest worden gemaakt, met verschillende geldstromen.”
En wat was of is hierbij de grootste uitdaging?
“Het is niet alleen samen dingen doen. Het is ook ontdubbelen”, legt De Jeu uit. “Dus je moet ook durven zeggen: daar ben ik niet van.”
In de praktijk zit daar een duidelijke spanning, vertelt hij: “Je merkt dat de strijd om het geld voor de eigen organisatie in de weg zit van slimme samenwerking. Je moet als organisatie eigenlijk niet alles zelf willen doen, maar de beste partij inzetten op de opgave. Stel: ik krijg 100 euro om iets te bereiken. Maar jij hebt er veel meer verstand van dan ik. En ik kan het jou voor 50 euro laten doen. Dan kan ik jou twee keer inzetten.”
Dat vraagt om een andere manier van kijken naar samenwerking. Niet vanuit het eigen belang, maar vanuit wat het meeste oplevert voor de opgave. “Als we met alles wat we nu weten… zouden we dan 1 + 1 = 1,6 kunnen maken? Dus niet méér geld uitgeven, maar slimmer samenwerken. Die ‘0,4’ is geen besparing, maar ruimte die je creëert om meer te doen.”
Waar ben je trots op?
“Bewegen, sport en de voorzieningen daaromheen staan niet meer langs de zijlijn,” zegt De Jeu enthousiast. “We zijn een essentieel onderdeel van de basisinfrastructuur van het sociale domein geworden. Daar ben ik mega trots op.”
Daarmee verandert ook hoe er naar sport en bewegen wordt gekeken. “Sport en bewegen zijn natuurlijk leuk en goed op zichzelf. Dat moeten we blijven faciliteren. Maar het gaat ook om die hele grote groep mensen die, om welke reden dan ook, helemaal niet aan sport en bewegen doet. Daar is nu echt veel meer aandacht voor.”
Wat moeten we vasthouden richting de volgende fase?
“Wat je moet vasthouden is dat die samenwerking, over alle domeinen en doelgroepen heen, aangejaagd blijft worden. ‘Essentieel’ is niet hetzelfde als ‘vanzelfsprekend’. We zijn er gewoon nog niet.”
Volgens De Jeu gaat het daarbij nadrukkelijk breder dan alleen het sociaal domein. Juist de verbinding met andere plekken waar mensen leven, leren en werken is cruciaal.
Hij illustreert dat met een voorbeeld uit het onderwijs. “We beginnen al op vierjarige leeftijd met te vertellen: je moet stilzitten. Jong geleerd is oud gedaan. Maar jong niet geleerd is ook oud niet gedaan.”
En dat schuurt met grotere maatschappelijke opgaven. “We hebben het over oplopende zorgkosten, dat allerlei dingen onbetaalbaar worden en dat mensen niet kunnen participeren. En dat we dit gewoon toestaan… voor mij is dat echt onbegrijpelijk.”
Waar vindt de verandering echt plaats?
“Landelijk beleid krijgt pas betekenis in lokale praktijk. Dat is een optelsom van lokale situaties. Soms gewoon letterlijk in de wijk. Of van een individu.”
Daar ligt volgens hem ook de sleutel voor de komende fase. “De enige plek waar je dingen kunt veranderen is daar: in een bedrijf, op een school, in een wijk.”
Om de samenwerking die hiervoor nodig is te duiden, gebruikt hij een metafoor. “Ik noem het altijd een kralenkettinkje. De kraaltjes zijn losse organisaties. Die zijn supergoed in wat ze doen. Maar iemand moet het touwtje zijn, zodat het een kettinkje wordt.”
Die verbindende rol ziet hij nadrukkelijk in de lokale praktijk. “De gemeente moet dit faciliteren, maar dat kan ze niet alleen. Ze moet zorgen dat partijen samenwerken en durven zeggen: het is te versnipperd, we geven één partij de lead.”
Waar zit de kwetsbaarheid in hoe het beweegbeleid nu is georganiseerd?
Tegelijkertijd ziet De Jeu dat de huidige manier van werken die samenwerking niet altijd ondersteunt. “Het kenmerk van een project is dat het een kop en een staart heeft. En dat je verwacht dat er daarna iets blijvends is.”
Maar in de praktijk werkt dat vaak anders. “Je krijgt extra geld, je gaat iets extra’s doen. En op het moment dat het geld wegvalt, gebeurt er niks meer.” Voor een structurele opgave als gezondheid is dat volgens hem niet voldoende. “Dan kun je niet zeggen: dat doen we even drie jaar en dan zijn we klaar.”
Wat betekent AZWA in deze ontwikkeling?
Met AZWA verschuift de aandacht nadrukkelijk richting preventie en de verbinding met zorg. Sport en bewegen worden daarmee steeds meer ingezet als middel om problemen eerder aan te pakken. “Een van de grootste scheidingen in de samenleving die eraan komt, is zorg.”
In de praktijk betekent dat volgens hem dat je vraagstukken meer in samenhang moet benaderen. “Als je bijvoorbeeld werkt aan valpreventie, kun je dat combineren met sociale contacten en voeding. Dan pak je meerdere vraagstukken tegelijk. Dat hoort niet bij één domein.”
“Ik noem het altijd de drie V’s: verlagen, vertragen of vermijden.” En daar ligt volgens hem ook een duidelijke kans voor de komende jaren. “Als we in 2029 of 2030 kunnen aantonen dat AZWA werkt, dan ontstaat een sterkere basis om middelen structureel te borgen. Het gaat nu al over 1,5 miljard per jaar. Dus dit is echt een enorme verandering.”
Wat vraagt deze fase van organisaties?
Die nieuwe fase vraagt volgens De Jeu iets van organisaties op lokaal, regionaal en landelijk niveau. Van gemeenten en sportaanbieders tot zorg- en welzijnspartijen. “Het besef dat het noodzakelijk is dat je dingen loslaat als individuele organisaties. En dat het ontzettend leuk is om daar samen keihard tegenaan te gaan.”
Daar hoort ook een andere manier van werken bij. “Het gaat over datagedreven en opgavegericht werken. Ik kan wel een aanbod hebben, maar de vraag is: past dat?”
Daarbij staat de inwoner centraal. “Een inwoner leeft niet in één beleidsveld. Die beweegt zich op een dag door zeven of acht beleidsvelden, met verschillende organisaties, heen.”
Dat vraagt om een andere volgorde in hoe je werkt. “Je moet niet beginnen met specialisten. Die vlieg je in als het nodig is. Je moet beginnen bij de mens.”
Wat betekent dit voor de Beweegalliantie en JOGG?
Sinds 1 maart 2026 werken de Beweegalliantie en JOGG intensiever samen. Die ontwikkeling past volgens De Jeu goed bij de beweging die nodig is.
“De Beweegalliantie en JOGG zijn natuurlijk eigenlijk twee verschillende dingen. De Beweegalliantie is neergezet als een aanjaagfunctie. Het aanjagen, het zichtbaar maken van wat er al is, het verbinden en versterken van partijen. JOGG zit in de wijk en heeft daar implementatiekracht. Die mensen zijn al dichtbij inwoners actief, op het gebied van gezonde leefstijl en voeding.”
Juist die combinatie biedt kansen om breder te werken. “Als die mensen daar al rondlopen, kun je je afvragen: kunnen zij ook breder maatwerk leveren? Dus niet alleen vanuit één thema, maar vanuit de vraag van de inwoner.”
Volgens De Jeu zit de kracht in het combineren van die rollen. “Als je die functionaliteiten bij elkaar brengt, kun je dichter bij de implementatie komen. Je blijft aanjagen en verbinden, maar dan dichterbij. In de wijk, bij doelgroepen.”
Wat geef je de Beweegalliantie en JOGG mee?
“Zet de functionaliteiten in en benut elkaars kracht door deze slimmer te combineren. Maar kijk ook goed naar wat je overeind wilt houden. Om die 1 en 1 is 1,6 te krijgen zul je moeten ontdubbelen. Het delen van kosten. Maar je moet niet zo efficiënt worden dat je bepaalde ondersteuning niet meer kunt bieden.”
Daarbij plaatst hij ook een duidelijke kanttekening. “De Beweegalliantie is neergezet als een aanjaagfunctie. En dat moet het blijven. Je moet uitkijken dat dat niet een nieuw instituut wordt.”
De Jeu ziet ook kansen om de samenwerking verder te verbreden. “Als de Beweegalliantie en JOGG zich verder ontwikkelen kun je ook denken aan samenwerking met bijvoorbeeld de GGD-GHOR. Ik denk dat zij een gouden instrument zouden hebben aan zo’n nieuwe vorm van JOGG en de Beweegalliantie als je die richt op de probleemopgave, op basis van data.”
Wat is de grootste opgave de komende tijd?
De grootste opgave ligt volgens De Jeu in hoe beleid en uitvoering beter op elkaar aansluiten. “Dit is een transitie. Dat hebben we niet morgen goed geregeld.”
Volgens hem vraagt dat om een andere manier van beleid maken. “Ga geen beleid maken in je eentje. Beleid moet vraaggestuurd en datagedreven zijn. Anders loop je het risico dat het lokaal niet landt. We hebben geleerd dat we anders wel resultaten boeken, maar niet voldoende. En dat zou zonde zijn.”
Voor jou geselecteerd:
Lees verder Monitoring en evaluatie: wat levert jouw werk eigenlijk op?
Lees verder Maak kennis met de kopman van het Beweegpeloton: Gerben van Duin