College Tour met Dafne Schippers: “Je hoeft het niet allemaal alleen te doen”
De telefoons worden weggestopt. Verwachtingsvolle blikken richten zich naar het podium. “Weten jullie wie dit is?” vraagt host Jorick Scheerens. “Dafne!” roepen de studenten enthousiast.
Tijdens de College Tour op het MBO Symposium krijgen zo’n vijftig studenten van de opleiding Sport & Bewegen van Landstede en Sport, Bewegen en Leefstijl van Deltion College de kans om Beweegalliantie-ambassadeur Dafne Schippers alles te vragen wat ze willen. En dat laten ze zich geen twee keer zeggen.
Het duurt even voordat de eerste hand omhoog gaat. Maar zodra het ijs is gebroken, volgt er een stroom aan vragen die niet meer stopt. De catchbox-microfoon vliegt door de zaal, van rij naar rij. Studenten luisteren, denken door en bouwen voort op elkaars vragen. Wat opvalt: ze willen er echt iets uithalen. Het wordt een gesprek over keuzes maken, over druk, over grenzen voelen en over plezier houden in wat je doet.
Hoe zag jouw leven eruit op onze leeftijd?
“Je zag me vooral rondrennen,” lacht Dafne. “Figuurlijk dan. Ik probeerde mijn studie te combineren met topsport. Ik was op een gegeven moment van ’s ochtends acht tot ’s avonds half twaalf van huis. Dan kwam ik thuis, probeerde ik nog een paar uur te slapen en begon de volgende dag weer opnieuw. Dat was echt een pittige periode, waar jullie nu ook in zitten.”
Ze vertelt hoe vol haar weken waren. Ze trainde zeven, acht, soms negen keer per week, ging naar school, liep stage en moest tussendoor ook nog studeren. “Het was wel echt meer dan een fulltime programma,” zegt ze. “En op zondag had ik rust. Maar dan moest ik vaak ook nog bijkomen en achterstallig werk doen.”
Wanneer wist je: dit is niet meer te combineren?
“Voor ons thuis was het altijd belangrijk om ook gewoon je studie te doen”, legt Dafne uit. “Want geld verdienen met sport, die kans is niet groot. Maar toen ik me op mijn achttiende eigenlijk een beetje per ongeluk plaatste voor de Olympische Spelen, dacht ik wel: oké, nu moet ik echt een keuze maken.”
Ze vertelt dat haar ouders haar daarin volledig steunden. “Dat was een opluchting. En ik denk ook de stap die ik heel erg nodig had. Toen dacht ik: nu ga ik er echt voor.”
Hoe voelde die druk toen je zo jong op het hoogste podium stond?
Dafne glimlacht als ze terugdenkt aan Londen. “In 2012 was het voor mij nog echt een grote speeltuin. Ik mocht naar de Olympische Spelen. Dat was al zo bijzonder op zich. Ik kwam in een stadion met 80.000 mensen. Dat is absurd. Maar ik vond het vooral heel gaaf.”
In die eerste jaren voelt de druk voor haar nog anders. “De druk die ik mezelf oplegde, die was er altijd wel. Ik wilde gewoon goed presteren en het beste uit mezelf halen. Maar verder was het nog echt spelen.”
Dat verandert na haar wereldtitel in 2015. “Toen ik wereldkampioen werd op de 200 meter, werd het ineens zó groot. Ik zat nog in Beijing en had eigenlijk niet eens door wat er in Nederland gebeurde. Maar toen ik terugkwam en heel Schiphol oranje was, overal journalisten stonden, toen dacht ik echt: wat gebeurt hier allemaal?”
Vanaf dat moment verschuift er iets. “Ik dacht alleen maar: ik wil meer, ik wil meer, ik wil meer. Dat was ook het moment waarop de druk van buitenaf en de druk van mezelf steeds hoger werden. Het spelen bleef er wel een beetje in, maar het veranderde wel naar echt moeten presteren.”
Hoe ga je om met spanning voor een grote wedstrijd?
Die vraag komt uit de zaal van een student die zelf sport: wat doe je mentaal als je voor een groot moment staat?
Dafne antwoordt eerlijk dat haar reactie niet per se de standaard is. “Als je de meeste mensen in een stadion zet, dan denken ze: wow, dit is eng. Dan bevries je. Dat is heel normaal. Maar ik was juist iemand die dan dacht: kom op, dit is leuk.”
Daarna geeft ze haar advies. “Uiteindelijk blijft het spelletje hetzelfde,” zegt ze. “Of je nou in een groot stadion staat of op een veldje. Jij bent daar gekomen omdat je het leuk vindt. Dus probeer altijd terug te gaan naar dat plezier.”
En als het spannend wordt, helpt ze zichzelf terug naar de basis. “Dan denk ik: het lijkt nu allemaal heel groot, maar uiteindelijk moet ik gewoon van A naar B zo hard mogelijk rennen. Dat was mijn spelletje. Dus probeer terug te gaan naar wat je eigenlijk aan het doen bent.”
Hoe ga je om met tegenslagen?
Ook de moeilijke kanten komen aan bod. Hoe ging Dafne om met blessures, tegenslagen en periodes waarin het niet liep? “Blessures horen erbij,” zegt ze nuchter. “Ik denk dat ik in mijn topsportleven nooit honderd procent pijnvrij ben geweest. Er is altijd wel een pijntje.”
Wat haar helpt, is niet te ver vooruitkijken. “Als ik tegenslag had, probeerde ik heel erg bezig te zijn met het proces. Dus eerst zorgen dat je goed herstelt. Goed eten. Kijken hoe je mentaal weer beter in je vel komt. Kleine stapjes zetten.”
Wat deed je aan herstel na een training of wedstrijd?
“Vooral aanvullen,” zegt Dafne. “Binnen een half uur goed eten, vooral eiwitten, want je spieren hebben gewoon schade gehad.”
Maar herstel gaat voor haar over meer dan voeding alleen. “Daarna is het ook gewoon veel rusten. Veel thuis zijn. Op de bank liggen. Genoeg slapen. Dat zijn echt de standaarddingen. Sommige atleten nemen ijsbaden of massages, maar ik had echt een hekel aan kou, dus dat ijsbad was niks voor mij.”
Heb je slaaptips voor ons?
“Ik ben sowieso een hele slechte slaper van mezelf,” lacht Dafne. “Dus ik had die uren ook echt nodig, omdat ik wist dat er maar een paar kwalitatief goede uren tussen zaten.”
Wat voor haar werkt, is routine. “Ik nam echt de tijd om rustig richting bed te gaan. Bijvoorbeeld eerst een warm bad, wat lezen, een luisterboek. En ja, toch die schermen aan de kant doen. Dat is ook voor mij een uitdaging, maar het gaf me wel meer rust.”
Ze benadrukt dat je slaap niet moet onderschatten, maar ook niet meteen in paniek moet raken van één slechte nacht. “Een slechte nacht is niet meteen erg. Maar zorg wel dat je een ritme hebt waarin je tot rust komt.”
Hoe zorgde je ervoor dat je niet naast je schoenen ging lopen toen je wereldkampioen werd?
Dafne antwoordt open. “Mijn familie is best wel down to earth. Bij ons was het altijd: leuk wat je doet, maar het is ook belangrijk dat je gewoon bent wie je bent.”
Tegelijkertijd zit het antwoord ook in haar karakter. “Geen prestatie was goed genoeg,” zegt ze. “Ik dacht niet: kijk eens wat ik heb gedaan. Ik dacht vooral: dit is leuk, maar ik kan nog harder, nog meer.”
Daar kijkt ze nu heel eerlijk op terug. “Het was soms ook zonde dat ik niet iets meer heb genoten van wat ik had bereikt.”
Wat deed jouw coach? En wat maakt voor jou een goede trainer?
Voor studenten die zelf trainer willen worden, is dit misschien wel het interessantste deel van het gesprek. Wat deed een coach voor haar? En wat maakt iemand echt goed?
Dafne vertelt over het grote verschil tussen haar Nederlandse coach en haar latere Amerikaanse coach. Over haar Nederlandse coach zegt ze: “Wij konden lezen en schrijven met elkaar. Hij voelde precies aan wie ik was en wat ik nodig had. Als ik op de baan kwam, wist hij: is ze moe, chagrijnig, voelt ze zich goed, kunnen we een goede training draaien of niet.”
Bij haar Amerikaanse coach ervaarde ze veel meer afstand. “Daar was het meer: dit is het programma en dat moet je doen. Ook als je moe bent.”
Juist in dat contrast zit voor haar het antwoord op de vraag wat een goede trainer is. “Ik vind een goede trainer iemand die verder kijkt dan alleen de doelen die gehaald moeten worden. Ook naar het persoonlijke vlak. Het mentale en fysieke werken samen.”
Ze maakt het heel concreet. “Als iemand binnenkomt en je ziet: die zit niet lekker in zijn vel, begin daar dan. Vraag: hoe gaat het eigenlijk met je? Misschien kan diegene daarna alsnog gewoon trainen, misschien zelfs beter dan je had verwacht. Maar als je die vraag niet stelt, geloof ik niet dat je hetzelfde eruit haalt.”
Heb je dingen gemist in je twintiger jaren?
“Uitgaan, stappen, dat soort dingen heb ik niet echt gemist. Want ik deed iets wat ik heel graag wilde.” zegt Dafne.
Maar er is wel iets dat ze benoemt. “Wat ik misschien wel heb gemist, is het stukje sociale contacten. Topsport is best een eenzaam leven. Vrienden vragen je een paar keer mee, maar als je steeds nee zegt omdat je moet trainen, dan houden ze op een gegeven moment ook op met vragen. Niet omdat ze je niet erbij willen hebben, maar omdat ze denken: jij kan toch niet.”
Wat is de belangrijkste les die je hebt geleerd?
Dafne hoeft daar niet lang over na te denken. “Ik denk dat ik het plezier in wat ik deed een beetje ben kwijtgeraakt,” zegt ze. “Ik wilde zó graag, dat ik steeds verder ging. Als dingen tegenzaten, zette ik juist nog een stap naar voren in plaats van een stap terug.”
“Ik heb heel lang gedacht dat hulp vragen een zwakte was. Ik dacht: ik moet sterk zijn, ik moet stoer zijn, ik moet het alleen kunnen. Maar achteraf denk ik: wat zonde. Je hoeft het niet allemaal alleen te doen.”
“Kwetsbaar zijn is juist een kracht. Wees een beetje lief voor jezelf. Vraag hulp als je het nodig hebt. Aan mensen dichtbij, of professioneel, als dat fijner voelt. Zorg goed voor jezelf. En niet alleen fysiek, maar ook mentaal.”
Nog eentje dan
De mooiste momenten van deze College Tour zitten niet alleen in de antwoorden van Dafne, maar ook in de vragen van de studenten. Ze vragen door, luisteren naar elkaar en maken het gesprek samen. Op een gegeven moment zegt Jorick lachend: “Oké, nog één vraag dan.” Maar eigenlijk wil niemand dat het stopt.
Na afloop vullen sommige studenten voor hun lesprogramma in wat ze van Dafne hebben geleerd. Docenten zien daarin duidelijke rode draden terug: dat je zwakte mag tonen. Dat je hulp mag vragen. Dat je niet alles zelf hoeft op te lossen. En juist dat een topsporter dat hardop zegt, maakt verschil.

Voor jou geselecteerd:
Lees verder Monitoring en evaluatie: wat levert jouw werk eigenlijk op?
Lees verder Maak kennis met de kopman van het Beweegpeloton: Gerben van Duin