De businesscase van bewegen: 1% meer sporten en bewegen kan oplopen tot miljoenen aan lagere zorgkosten
De zorgkosten nemen snel toe. Daarom willen steeds meer overheden sterker inzetten op de verschuiving naar de voorkant: van curatie naar preventie. Voorkomen blijft immers beter dan genezen. Sport en bewegen spelen daarin een belangrijke rol, zeker in gebieden en bij doelgroepen waar de gezondheidsachterstanden groot zijn.
Amsterdam en Rotterdam wilden daarom beter weten hoe sport, bewegen, sociaaleconomische verschillen en zorgkosten zich lokaal tot elkaar verhouden. Onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen, onder leiding van dr. Willem de Boer, brachten die relatie in kaart op wijk- en buurtniveau. Daarmee wordt zichtbaar waar sport en bewegen samenhangen met lagere zorgkosten, waar verschillen tussen buurten groot zijn en waar de twee gemeenten gerichter kunnen investeren.
Van overtuiging naar onderbouwing
Dat sport en bewegen bijdragen aan gezondheid, is voor weinig mensen nog een verrassing. Maar voor gemeenten is een andere vraag minstens zo belangrijk: wat betekent dat voor beleid, investeringen en keuzes in de wijk?
Gemeenten investeren in sportparken, zwembaden, beweegprogramma’s, buurtsportcoaches, openbare ruimte en lokale samenwerking. De opbrengsten daarvan zijn niet altijd direct zichtbaar. Ze ontstaan vaak pas op langere termijn.
Willem de Boer: “Gemeenten investeren veel in sport en bewegen, maar de opbrengsten zijn niet altijd direct zichtbaar. Als je een businesscase wilt maken, wil je hard maken: is deze investering het waard?”
Wat levert 1% meer sport en bewegen op?
Uit het onderzoek blijkt dat buurten waar meer inwoners sporten of voldoen aan de beweegrichtlijnen gemiddeld lagere zorgkosten hebben.
Gemiddeld genomen hebben Nederlandse buurten waar 1% meer inwoners wekelijks sporten jaarlijks 9 euro lagere zorgkosten per inwoner. Buurten waarin 1% meer inwoners voldoet aan de beweegrichtlijn, hebben gemiddeld 8 euro lagere jaarlijkse zorgkosten per inwoner. Daarbij zijn er wel verschillen tussen buurten, waarbij de samenstelling van de buurt, bijvoorbeeld leeftijd, geslacht, maar ook sociaaleconomische positie, ook uitmaakt.
Per inwoner lijken dat misschien kleine bedragen. Maar op het niveau van een stad, stadsdeel of gebied lopen ze snel op.
Als 1% van alle Amsterdammers, dat zijn ongeveer 9.350 inwoners die nu nog te weinig bewegen, wekelijks gaat sporten of aan de beweegrichtlijnen gaat voldoen, zou dat naar schatting 14 miljoen euro aan lagere zorgkosten per jaar opleveren. In Rotterdam gaat het om circa 6.700 inwoners en ruim 11 miljoen euro per jaar.
Daarmee krijgt de waarde van sport en bewegen een andere lading. Het is een stevige aanwijzing dat sport en bewegen een serieuze plek verdienen in het gesprek over preventie, gezondheid en het betaalbaar houden van zorg.
Waarom wijk- en buurtniveau ertoe doet
Amsterdam en Rotterdam wilden niet alleen weten hoe sport en bewegen samenhangen met zorgkosten in de stad als geheel. Ze wilden juist weten hoe die relatie eruitziet per wijk en buurt.
Dat lokale niveau is belangrijk. Binnen één stad kunnen buurten sterk verschillen in gezondheid, sportdeelname, beweeggedrag, inkomen, opleidingsniveau en zorgkosten. Stedelijke gemiddelden houden die verschillen vaak uit beeld.
De onderzoekers namen daarom ook sociaaleconomische kenmerken mee, zoals inkomen, opleiding en werk. Een buurt met veel hoogopgeleide inwoners en hogere inkomens heeft vaak een hogere sportdeelname en gemiddeld lagere zorgkosten. Door buurten met een vergelijkbare sociaaleconomische status met elkaar te vergelijken, ontstaat een eerlijker beeld.
Van cijfers naar keuzes
Voor gemeenten is de vraag vervolgens niet alleen of bewegen iets oplevert of bespaart, maar vooral waar je op inzet. Investeer je in voorzieningen, buitenruimte, een beweegprogramma, verenigingsondersteuning, buurtsportcoaches of een aanpak voor een specifieke doelgroep? En hoe bepaal je waar de investering het meeste verschil kan maken?
“Op basis van dit onderzoek kun je beter zien waar je op in moet zetten en waar het maatschappelijke rendement mogelijk het grootst is. Maar de volgende vraag blijft: waarin investeer je dan precies?” aldus Willem.
Die nuance is belangrijk. Het onderzoek wijst niet automatisch aan welke interventie in welke buurt nodig is. Het zegt niet: plaats hier een sportveld, start daar een wandelgroep of open daar een sportschool. Maar het helpt gemeenten wel om scherper te kijken waar de relatie tussen sport, bewegen, sociaaleconomische omstandigheden en zorgkosten het meest relevant is. Daarmee worden cijfers geen eindpunt, maar een startpunt voor betere keuzes.
Leren van buurten waar het al werkt
Een interessante opbrengst van het onderzoek is dat gemeenten niet alleen kunnen kijken naar buurten waar de opgave groot is. De data kan ook helpen om buurten te vinden die beter scoren dan je bijvoorbeeld op basis van hun sociaaleconomische omstandigheden zou verwachten.
“Je kunt ook zien welke buurten het verrassend goed doen. Dan kun je kijken: wat gebeurt daar? Is er een sterke vereniging, een succesvol programma of goede samenwerking in de buurt? En kun je daarvan leren voor andere wijken?” vertelt Willem.
Die manier van kijken maakt het onderzoek extra waardevol. Niet alleen: waar moeten we ingrijpen? Maar ook: waar werkt iets al, en hoe kunnen we daarvan leren?
Daarbij blijft lokale kennis onmisbaar. Data kan richting geven, maar professionals, bewoners, sportaanbieders, welzijnsorganisaties, scholen, zorgpartners en gemeenten kennen de context. Zij weten welke voorzieningen er zijn, welke groepen moeilijk worden bereikt en welke initiatieven lokaal al werken.
Zoals Willem zegt: “Data is waardevol, maar zegt niet alles zonder de context van de buurt. Je hebt allebei nodig: de cijfers én de lokale kennis.”
Amsterdam zet de volgende stap
Op basis van dit onderzoek dienden raadsleden Runderkamp (PvdA), Haijen (SP) en Wehkamp (D66) de motie Tel uit je winst door te bewegen in. De motie doet een nadrukkelijk beroep op de nieuwe coalitie om, in het licht van gezondheidswinst en mogelijke zorgkostenbesparing, middelen vrij te maken voor bewegen. Wethouders Alexander Scholtes en Sofyan Mbarki onderschrijven in hun reactie op deze motie het belang van de verschuiving naar de voorkant, van curatie naar preventie, en spreken de wens uit om de inzet op sport en bewegen in Amsterdam de komende jaren te continueren.
De gemeente werkte voor de bestuurlijke reactie op de motie, voor drie gebieden uit wat 1% meer sport- en beweegdeelname zou kunnen betekenen: Osdorp in Nieuw-West (lage SES), Noord-West in stadsdeel Noord (midden SES), en Buitenveldert in stadsdeel Zuid (hoge SES).
Per gebied bracht Amsterdam in kaart hoe de situatie eruitziet. Daarmee werd het onderzoek dichter naar de praktijk gebracht. Want wat werkt in Buitenveldert, hoeft niet vanzelfsprekend te werken in Osdorp. Daarom keek Amsterdam per gebied naar de inwoners, de gezondheidssituatie, de sport- en beweegdeelname, het bestaande aanbod, beweegplekken in de buurt en het gebruik van regelingen zoals sportvergoedingen.
Vanuit die gebiedsanalyses keek Amsterdam welke bestaande inzet versterkt kan worden en waar aanvullende maatregelen nodig zijn. Denk aan buitenspelen, meiden en bewegen, de dynamische schooldag, sport- en beweegvergoedingen, sociaal-medische beweegnetwerken, toeleiding naar beweegaanbod en het intensiveren van passend aanbod.
Naar een vliegwiel van leren en investeren
Deze uitkomsten zijn niet alleen relevant voor Amsterdam en Rotterdam. Ze raken aan een bredere landelijke discussie over preventie en de betaalbaarheid van de zorg.
Als gemeenten, zorgverzekeraars en het Rijk meer willen inzetten op preventie, dan hoort sport en bewegen nadrukkelijk bij dat gesprek. Niet alleen omdat bewegen gezond is, maar ook omdat het kan bijdragen aan het beheersbaar houden van zorgkosten.
De businesscase van bewegen is daarmee geen simpele rekensom. Het is een manier om beter te onderbouwen waar sport en bewegen maatschappelijk het verschil kunnen maken. En om bewegen een stevigere plek te geven in keuzes over preventie, gezondheid en investeringen in de wijk.
Voor jou geselecteerd:
Lees verder Monitoring en evaluatie: wat levert jouw werk eigenlijk op?
Lees verder Maak kennis met de kopman van het Beweegpeloton: Gerben van Duin